EINDHOVEN – De traditionele scheidslijn tussen hbo en universiteit wordt voor honderden eerstejaars techniekstudenten in Eindhoven een stuk kleiner. Studenten Elektrotechniek van Fontys en Electrical Engineering van de TU/e werken dit semester vanaf het begin van hun opleiding samen aan één technische opdracht. Niet als vrijblijvende kennismaking, maar als volwaardig onderdeel van hun studie.
In totaal zijn 370 eerstejaars aan het gezamenlijke onderwijsprogramma begonnen. Het gaat om 250 studenten van de Technische Universiteit Eindhoven en 120 studenten van Fontys. Zij zijn verdeeld over 42 teams waarin studenten van beide onderwijsinstellingen door elkaar werken.
Hun eerste gezamenlijke uitdaging heeft de naam Rock Your Baby gekregen. De studenten moeten technologie ontwikkelen waarmee kan worden vastgesteld of een baby onrustig is en vervolgens een passende schommelbeweging kan worden aangestuurd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar signalen zoals hartslag en geluid.
Het resultaat moet uiteindelijk verder gaan dan een idee op papier. Studenten doorlopen gezamenlijk het ontwerptraject en bouwen een werkend prototype.
Geen eenmalig studentenproject
Hoewel de samenwerking tussen Fontys en TU/e nieuw is, bestaat Rock Your Baby zelf al langer. De opdracht wordt bij de universiteit al meerdere jaren gebruikt binnen het onderwijs aan eerstejaars Electrical Engineering. Het programma is daar ontwikkeld vanuit een onderwijsmodel waarbij studenten technische kennis niet uitsluitend uit colleges halen, maar deze direct moeten toepassen op een concrete uitdaging.
Nieuw is dat Fontys dit studiejaar bij het project is aangesloten en studenten van hbo en universiteit daardoor binnen één onderwijsprogramma samenwerken.
Daarmee gaat de proef aanzienlijk verder dan een gezamenlijke projectdag of kennismakingsweek. De studenten werken iedere donderdagochtend aan de opdracht. Hun prestaties tellen mee voor de studie, er wordt een portfolio opgebouwd en aan het einde moet een prototype worden opgeleverd.
Rond de honderd medewerkers en studenten zijn betrokken bij de begeleiding. Naast docenten gaat het om designcoaches en studenttutoren.
Verschillende manieren van denken
Achter de samenwerking zit meer dan alleen het samenbrengen van twee groepen studenten. Fontys en TU/e willen juist gebruikmaken van de verschillen tussen het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs.
In een universitaire opleiding ligt doorgaans meer nadruk op theorie, analyse en onderzoek. Binnen het hbo speelt de praktische toepassing van technische kennis een grotere rol. Door beide benaderingen al aan het begin van de opleiding bij elkaar te brengen, moeten studenten ervaren dat die verschillen elkaar in de praktijk kunnen aanvullen.
Dat lijkt sterk op de werkomgeving waarin afgestudeerde technici later terechtkomen. Bij veel bedrijven in de Eindhovense hightechsector werken universitair en hbo-opgeleide ingenieurs immers dagelijks binnen dezelfde ontwikkelteams.
Voor de begeleiders betekent de nieuwe onderwijsvorm eveneens een andere aanpak. Zij moeten studenten niet direct de technische oplossing geven, maar teams helpen om zelf keuzes te maken, taken te verdelen, fouten te ontdekken en oplossingen te testen.
Verkeerde studiekeuze eerder herkennen
Er zit tegelijkertijd een tweede doel achter het experiment. Studenten moeten eerder kunnen ontdekken welk type opleiding het beste bij hen past.
Wie aan een universitaire opleiding begint, kan er gedurende het eerste jaar achter komen dat een praktischere manier van leren beter aansluit. Andersom kunnen hbo-studenten ontdekken dat ze juist verder willen in een meer theoretische of wetenschappelijke richting.
Door studenten al in hun eerste semester kennis te laten maken met de andere onderwijsomgeving hopen de instellingen te voorkomen dat iemand volledig voor de techniek verloren gaat wanneer de aanvankelijk gekozen opleiding niet blijkt te passen.
Daarvoor worden ook daadwerkelijk overstapmogelijkheden ingericht. Een TU/e-student die na het eerste semester liever bij Fontys verdergaat, kan onder voorwaarden aansluiten bij het tweede semester van de hbo-opleiding. Fontys houdt bij de organisatie van de klassen rekening met dergelijke overstappers.
De route kan ook de andere kant op lopen. Studenten die hun hbo-opleiding afronden, kunnen via een aanvullend traject doorstromen richting een masteropleiding aan de TU/e.
Iedere technicus telt in Brainport
Het behouden van studenten voor de techniek is in Eindhoven allerminst een theoretisch probleem. De groei van de hightech- en chipindustrie zorgt ervoor dat de vraag naar technisch opgeleid personeel de komende jaren verder toeneemt.
Voor de totale Tech- en IT-sector in Brainport wordt richting 2032 rekening gehouden met een arbeidsmarktopgave van ruim 71.000 arbeidsplaatsen. Een groot deel daarvan ontstaat door groei van bedrijven, terwijl daarnaast duizenden medewerkers vanwege pensionering moeten worden vervangen.
Ook de landelijke investeringen in de Nederlandse chipindustrie zijn voor een belangrijk deel gericht op het personeelsvraagstuk. Alleen al voor de halfgeleidersector worden tot 2030 ongeveer 38.000 extra technisch opgeleide mensen nodig geacht. Het grootste deel daarvan is nodig in en rond Eindhoven.
Daarom worden honderden miljoenen euro's beschikbaar gesteld voor uitbreiding en versterking van technisch onderwijs. Binnen Project Beethoven is tot en met 2030 450 miljoen euro gereserveerd voor talentontwikkeling. Vanaf 2031 is daarvoor structureel 80 miljoen euro per jaar beschikbaar.
De nieuwe samenwerking tussen Fontys en TU/e wordt grotendeels vanuit die aanpak ondersteund.
Eindhoven als onderwijsproeftuin
Het project laat daarmee ook zien dat de enorme groei van Brainport gevolgen krijgt voor de manier waarop onderwijsinstellingen hun opleidingen organiseren. Het simpelweg aantrekken van meer studenten is niet voldoende. Studenten die eenmaal voor techniek kiezen, moeten de opleiding ook daadwerkelijk afronden en vervolgens bij voorkeur voor de sector behouden blijven.
Juist daar kan het verkleinen van de afstand tussen mbo, hbo en universiteit een steeds grotere rol gaan spelen.
Voor de 370 eerstejaars begint die grote regionale ambitie voorlopig met een aanzienlijk kleinere uitdaging: sensoren, elektronica en software zo laten samenwerken dat een onrustige baby automatisch kan worden herkend en het stoeltje op de juiste manier gaat bewegen.
Of alle technische oplossingen straks daadwerkelijk werken, moet aan het einde van het semester blijken. De samenwerking tussen de twee Eindhovense onderwijsinstellingen is in ieder geval al begonnen.